STARTEN EN AFSTELLEN VAN EEN GLOEIPLUG MOTOR
|
| Deze aanwijzingen over het afstellen van een carburateur
is geschreven voor de Mugen MSX-3, maar gelden in principe ook
voor alle andere gloeiplug motoren, hoewel de plaats van de
sproeiers anders kan zijn. De werking blijft echter gelijk.
Het
afstellen van de carburateur van een gloeiplug motor is een
trucje wat je moet leren, en is een steeds terugkerende bezigheid,
vrijwel iedere keer dat je met zo'n auto wil gaan rijden. Een
eenmaal gevonden afstelling is namelijk niet vast, maar de temperatuur
en vochtigheidsgraad van de buitenlucht is ook bepalend voor
hoe de carburateur afgesteld moet staan. Dat betekent dus dat
je iedere keer kleine wijzigingen aan de afstelling moet doen.
Bovendien: als de carburateur eenmaal goed afgesteld staat bij
warme motor, zal hij niet altijd de volgende dag wel starten
als de motor koud is. Om te starten zal dan de hoofsproeier
iets verder open gedraaid moeten worden, en als de motor
dan
warm gedraaid is, kan hij weer iets verder dicht. Schuifcarburateurs
zijn wat dat betreft minder gevoelig dan een carburateur met
draaiende gasschuif die sommige merken (uit prijsoverweging,
een schuifcarburateur is duurder) hebben, hoewel vooral bij
de betere merken ook dit type carburateur steeds beter wordt.
Je begint altijd met het afstellen van de hoofdsproeier.
Hiermee wordt de mengsel verhouding lucht en
brandstof geregeld. De hoeveelheid brandstof t.o.v. de hoeveelheid
lucht moet precies kloppen, anders loopt de motor niet of niet
goed. Te veel is niet goed, maar te weinig zeker niet. Bij dit
type motor zit de olie die voor de smering moet zorgen n.l.
gemengd in de brandstof, en als de motor te weinig brandstof
krijgt, krijgt hij ook te weinig smeerolie. Als de motor niet
genoeg smering krijgt, wordt hij te heet en zal vast lopen,
met schade aan zuiger, cilinderwand en drijfstang tot gevolg.
De hoofdsproeier mag dus nooit te ver dicht gedraaid worden.
Pas op dat je altijd maar met hele kleine stapjes aan de
sproeiers draait, en onthoudt de oorspronkelijke stand, zodat
je altijd weer terug kunt naar de uitgangs positie.
Begin
met de auto op een verhoging te zetten zodat de aangedreven
wielen vrij van de grond staan.
De basisstand van de carburateur staat beschreven in
de handleiding welke bij de motor hoort. D.w.z. de sproeier
wordt dicht gedraaid (rechtsom) en dan afhankelijk van het type
carburateur een paar slagen open gedraaid. Bij de meeste small
blocks ( 2 - 3cc motoren) is dat ongeveer 5 halve slagen, bij
de meeste Big Blocks ( 3.5 en meer) is dat vaak 6 halve slagen.
Maar zoals gezegd: dit kan anders zijn voor elk type carburateur.
Nu pomp je de brandstof op naar de carburateur. Soms gaat dat
met een pompje op de tank, anders houd je de uitlaat dicht en
trekt aan de starter. Je ziet nu de brandstof door de slang
naar de carburateur gaan. Zodra de brandstof bij de carburateur
is, sluit je de gloeiplug driver aan. E.v. kun je een heel klein
beetje gas geven door de trim van het gas in de bovenste stand
te zetten. Nu zou de motor moeten starten. Als de motor niet
binnen een paar trekken start, neem je de gloeiplug driver los,
en demonteert de gloeiplug zelf.
Let op of de gloeiplug nat of droog is. Als hij droog is, krijgt
de motor niet (genoeg) brandstof, en kan de hoofdsproeier iets
verder opengedraaid worden. Als de gloeiplug nat is, controleer
je de werking van de plug door hem in de openlucht aan te sluiten
op de gloeiplug driver. Hij moet nu rood oplichten. Doet hij
dat niet, dan is of de gloeiplug driver leeg, of de gloeiplug
is kapot. Sluit een nieuwe aan om de driver te controleren.
Als de gloeiplug niet goed was, monteer dan de nieuwe, en probeer
opnieuw. Als de gloeiplug goed is, maar hij is nat, dan is
de afstelling te rijk geweest, waardoor er teveel brandstof
in de motor is gekomen. Hij is dan "verzopen". Geef vol gas,
en trek aan het startkoortje, zonder dat de gloeiplug gemonteerd
is. Er zal nu een hoop gasmengsel uit de motor komen, met druppels
brandstof. Zodra er geen druppels meer meekomen, kun je de plug
weer monteren. Draai de hoofdsproeier een paar tandjes dicht,
en probeer opnieuw te starten. Herhaal deze procedure tot de
motor aanslaat. Laat de motor even lopen met de driver aangesloten,
en controleer of de motor blijft lopen als je wat gas geeft.
Gaat alles goed, dan kun je de gloeiplugdriver losmaken, nu
zou de motor moeten blijven lopen. Geef langzaam wat gas, en
controleer of de motor goed opneemt. Zo ja, dan kun je gaan
rijden. Neemt de motor niet goed op, draai dan de hoofdsproeier
n of twee tandjes verder open en start opnieuw. Als de auto
rijdt en de motor warm is, kun je verder gaan met afstellen
van hoofd- en opneemsproeier indien nodig.
De stand van de ene sproeier benvloedt ook weer de werking
van de andere, als de ene versteld wordt, moet vaak de andere
ook iets versteld worden.
Om nog even bij de hoofdsproeier te blijven: een veilige
afstelling is als de motor net tegen "viertakken" aan loopt
bij volgas. Viertakken is dat de motor op volle snelheid iets
begint te pruttellen, meestal gepaard gaand met wat meer roken.
Dit verschijnsel treedt op als de motor iets te veel brandstof
krijgt, en omdat met de brandstof mee ook de hoeveelheid smeerolie
bepaald wordt (deze zit in de brandstof gemengd), krijgt de
motor ook voldoende smering. Als de motor erg viertakt, kun
je de hoofdsproeier nog n tandje verder dicht draaien, zodat
de motor net niet meer viertakt, en de auto nog iets harder
gaat lopen. Ideaal voor de levensduur van de motor is dat hij
met wind tegen niet viertakt, en met wind mee net iets begint
te pruttelen op volle snelheid. Draai je de hoofdsproeier nu
nog iets verder dicht, dan loopt de motor een korte tijd nog
even iets harder, en slaat dan met een klap vast, wat meestal
einde motor betekent!
Het
"opnemen" van de motor (vanaf stationair wegrijden) wordt geregeld
door de opneemsproeier welke in de gasschuif zit. De sleuf in
de kop hiervan zie je (bij de Prime 12) aan de kant waar de
rubber balg zit, en waar het kogelkopje van de gasstang zit.
Hiermee regel je dus de brandstof / lucht afstelling voor stationair
en lage toeren. Als je deze linksom draait, krijgt de motor
iets meer brandstof tijdens het gas geven (rijker), rechtsom
krijgt hij iets minder (armer). Meestal moet je deze iets rijker
stellen als je de hoofd sproeier iets armer hebt gesteld, maar
daar moet je mee experimenteren. Verdraai de sproeiernaalden
per keer met niet meer dan 30 graden. Kijk of linksom draaien
het verschijnsel verbetert of verslechtert, en bepaal daarvandaan
of je nog iets verder moet draaien of de andere kant op moet.

Als de motor goed loopt, moet ook de stationair nog afgesteld
worden. Door deze in te draaien gaat de motor (met gas los)
harder lopen, draai je hem uit, dan gaat hij langzamer lopen.
Stel hem zodanig af dat de motor makkelijk blijft lopen, zonder
dat de koppeling gaat pakken. Voordat je het stationair torental
af gaat stellen, kijk eerst of de volgende servoafstellingen
kloppen:
|
GAS-REM SERVO JUIST INSTELLEN
|
Met
de gasknuppel op de zender in de midden stand, moet de gasschuif
bijna gesloten zijn zodat de motor stationair loopt, en de rem
moet nog vrij zijn. Zowel aan de gasstand als aan de remkant,
moet een kleine hoeveelheid speling zijn, zodat je hetzij de
gasschuif hetzij de remstang zelf kunt verstellen, zonder dat
dat door de servo tegengehouden wordt. De stationairstand van
de gasschuif moet dus geregeld worden door de stelschroef op
de carburateur, niet door de stand van de servo. Als je geen
speling tussen de gasstang en de servoarm zou hebben als de
motor stationair loopt, en je verstelt de stand van de servo
iets, bv. door te remmen, zou de motor daarop afslaan. De ruimte
tussen d e
gasstang en de servo arm zorgt ervoor dat de stationairloop
van de motor niet benvloed wordt door de stand van de servo.
Pas als dat in orde is, kun je de stationair op de motor goed
instellen. Als je vol-gas geeft moet de uitslag van de
servo zodanig zijn dat de motor precies op volgas komt, en niet
eigenlijk nog verder wil draaien, maar dat niet kan omdat de
gasschuif niet verder kan. Dat resulteert in brommen van de
servo, en de servo zou in dat geval bij volgas veel stroom blijven
trekken, wat op den duur uitdraait op een kapotte servo.
|
Het zelfde geldt voor de uitslag van de servo bij het remmen.
Stel de servo wil onbelast 45 graden verdraaien van neutraal
naar volle uitslag. Stel de rem dan zo af, dat de servo minstens
90% van zijn uitslag kan halen, voor de rem de servo tegen houdt.
(een beetje druk moet je wel overhouden). Je ziet vaak dat
men de rem een zodanige afstelling heeft gegeven dat de servo
naar de rem stand maar 10 of 20% van zijn uitslag kan maken,
en dan door de rem geblokkeerd wordt. Ook dat resulteert in
een kapotte servo. Het is vaak even zoeken naar de juiste
balans tussen gasgeven en remmen, maar met wat experimenteren
moet je er wel uitkomen. Bedenk dat je de uitslag van de
rem of de gasschuif kunt benvloeden door voor de aansluiting
op de servo arm een gaatje dichter naar de as toe te kiezen
(kleinere uitslag) of juist een gaatje meer naar buiten. Ook
kun je van veel auto’s de lengte van de remhevel op de schijfrem
verstellen, waarmee je ook de uitslag van de rem t.o.v. de servo
uitslag kunt veranderen.
Veel
rem- (en stuur-)servo's gaan kapot omdat ze te zwaar belast
worden. Dat heeft te maken met een belangrijke natuurkunde wet:
Koppel (= trekkracht) = kracht maal arm. In het kort
komt dat hier op neer, dat als je de arm (afstand van draaipunt
tot aangrijpingspunt) 2 x zo groot maakt, de trekkracht 2 x
zo klein wordt.
Een servo kan b.v. 10 kg.cm trekken. Dat wil dus zeggen dat
als je iets op de servo arm aansluit op 1 cm, van de as vandaan,
daar een trekkracht geleverd kan worden van 10 kg. Maar als
je het aangrijpingspunt op 2 cm van de as plaatst, kan hij nog
maar 5 kg trekken. Je kunt het ook andersom bekijken: stel
je hebt voor een bepaalde actie een trekkracht van 5 kg nodig,
en je hebt het aangrijpingspunt op 2 cm gemaakt, dan moet de
servo voluit werken om dat op te brengen. Heb je de aansluiting
op 1 cm van de as zitten, dan hoeft de servo maar 50% van zijn
max te werken.
Sluit dus een servo die zwaar werk moet doen, daarom dusdanig
aan dat de aansluiting op de arm zo dichtbij het draaipunt van
de servo komt als technisch mogelijk is. Dit voorkomt n overbelaste
servo's, n de rem- of stuurkracht wordt veel hoger!
|
|
TIP
|
|
Stel de gasservo zodanig af, dat als je de trim van
het gaskanaal helemaal naar boven schuift, de gasschuif
een heel klein stukje verder opengaat dan in de normale
stationair stand. Voor het starten zet je dan de trim
naar boven, waardoor de motor makkelijk start met een
iets verhoogd stationair toerental. Zodra de motor aanslaat,
druk je de trim naar beneden, zodat hij weer stationair
loopt.
|
|
GLOEIPLUGGEN
|
Verder
is ook het type gloeiplug van belang, deze zijn er diverse graduaties,
van "warm" naar "koud". Een te warme gloeiplug gaat snel kapot,
en de kans op schade aan de motor is groter. Een te koude gloeiplug
koelt te snel af als de motor niet belast wordt, zoals bij stationair
draaien, en zal bij gas geven niet warm genoeg meer zijn om
de extra hoeveelheid gasmengsel te ontsteken, waardoor de motor
ook af slaat.
Een
nitro motor loopt zolang de gloeiplug gloeit, c.q. tijden het
lopen moet de plug altijd gloeien. Om de motor te starten, zet
je stroom op de plug, waardoor hij gaat gloeien. Zodra de motor
loopt, haal je de gloeiplugdriver los van de plug, waardoor
hij begint te doven, maar dan komt er weer vers mengel in de
verbrandingsruimte, dat wordt ontstoken door de gloeidraad van
de plug, die daardoor ook weer warmer wordt en dus blijft gloeien.
De warmtegraad van de plug bepaalt hoe snel de gloeidraad zijn
warmte afstaat. D.w.z. een warme plug heeft een dunnen draad,
die relatief lang door blijft gloeien als er niets gebeurt.
Een koude plug heeft een dikkere draad die sneller zijn warmte
afstaat, en dus ook sneller dooft als er geen warmtebron meer
is. Welke plug je moet gebruiken, hangt af van de motor en de
brandstof die je gebruikt. Een koude plug met dik draad gaat
niet zo snel kapot als een warme plug met dunner draad. Dus
zou je zeggen: ik moet een koude plug hebben, die gaat langer
mee. het probleem van een koude plug is echter dat vooral als
de motor stationair draait (of op lage toeren) de gloeidraad
nog maar nauwelijks gloeit. Als je dan gas geeft, komt er een
hoeveelheid koud gas in de verbrandingsruimte, wat dan de plug
"uitblaast", met als gevolg dat de motor afslaat. Hoe warmer
de plug is ( lager nummer), hoe minder gauw dit zal gebeuren,
omdat een warme plug langer fel blijft gloeien bij stationair
lopen. Als de plug echter te warm is ( te dunnen draad heeft),
zal hij echter snel kapot gaan. Nu is een andere reden waarom
een plug kapot gaat een te krap afgestelde motor. Als je dus
veel last hebt van kapotte pluggen, moet je eerst kijken of
de motor niet wat rijker afgesteld moet worden, voor je naar
een koudere plug gaat.
Gloeipluggen zijn er dus in verschillende warmte graden.
De warmte graad staat voor hoe fel de gloeidraad gloeit bij
een bepaalde verbrandings temperatuur, en heeft dus NIETS te
maken met de buitentemperatuur.

Voor gebruik in normale auto motoren tot 3cc en gebruik van
brandstof met 16% nitro komen pluggen nr.3 (medium) in aanmerking.
Hoog opgevoerde 2.5cc wedstrijd motoren en normale 3.5 tot
5cc motoren gebruiken standaard een nr. 4 plug, zeker bij gebruik
van brandstof met 20% nitro. De nieuwe Platinium pluggen
die we nu hebben zijn veel beter dan de traditionele pluggen,
ze hebben een heel brede warmte graad, d.w.z. ze gloeien veel
feller zonder dat ze kapot gaan. Daardoor loopt de motor beter
stationair, slaat minder snel af bij gasgeven, en dat maakt
het afstellen van de carburateur veel makkelijker.
Turbo pluggen hebben eigenlijk niets met een "turbo" te maken,
maar het "turbo" slaat op een type plug welke dikker is als
normaal, en met een conische passing in een speciale cilinder
kop past. Deze pluggen werken niet met een pakking dus. Ze kunnen
niet in een motor gebruikt worden die voor normale pluggen gemaakt
is, en omgekeerd kunnen er in een motor met een kop voor Turbo
pluggen geen normale standaard pluggen gebruikt worden. de warmtegraad
aanduiding van turbo pluggen ligt meestal hoger dan van normale
pluggen, en loopt meestal van 6 tot 8.
Al met al is het afstellen van een gloeiplug motor dus best
wel ingewikkeld, en kan het wel even duren voor je alles onder
de knie hebt. Veel succes.
Nog enkele tips voor het onderhoud / behoud van je motor:
| Q362 |
VOOR
JE GAAT RIJDEN:
Lucht filter olie
Wordt op het filter gedaan voor je
gaat rijden. Dit is een taaie, kleverige olie, welke
voorkomt dat stof en vuil in de motor gezogen wordt,
waardoor de levensduur van de motor aanzienlijk verlengd
wordt
|
| TORA |
NADAT JE GEREDEN HEBT:
Afterrun olie
Wordt na gebruik via het luchtfilter
in de motor gedruppeld, waarna je de motor een paar
slagen rond draait. In de brandstof zitten allerlei
bestanddelen (o.a. zuren en water) waardoor het inwendige
van de motor aangetast wordt. Deze afterrun olie voorkomt
dat.
|
|
Speciale brandstof voor auto motoren
|
De juiste brandstof is van levensbelang voor de
levensduur van je auto. Hij bestaat uit:
- Methanol: een soort alcohol, dit is de
eigenlijke brandstof),
- Olie: voor de smering van de bewegende delen,
- Nitromethaan: geeft extra zuurstof af tijdens
de verbranding, geeft daarmee meer vermogen, maar maakt
ook dat de motor makkelijker af te stellen is
- Diverse dopes: toevoegingen die vervuilen en
oxidatie (roestvorming) van de motor voorkomen.
Brandstof wordt in verschillende soorten en
samenstellingen aangeboden, maar de juiste brandstof is
van heel groot belang voor je auto motor. Er is een
groot verschil in toevoegingen bij brandstoffen die voor
vliegtuigen, boten of auto’s gebruikt wordt. Vooral de
motoren in auto’s hebben het veel moeilijker dan in de
andere toepassingen, ze moeten stationair lopen, heel
snel naar vol gas accelereren, meteen weer afremmen,
meteen weer volgas draaien enz. Daarom zitten er andere
olie soorten en toevoegingen in brandstoffen voor auto’s
dan voor vliegtuigen. Let ook op de verpakking:
Alcohol is hygroscopisch, d.w.z. het trekt vocht aan uit
de lucht, bovendien zijn zowel de alcohol als de nitro
welke door de brandstof zit gevoelig voor temperatuur en
licht. Nitro methaan wordt door (zon)licht afgebroken en
omgezet in zuren. Brandstof hoort dus te zitten in een
ondoorzichtige metalen can, met een goed afsluitbare
dop. Doorzichtige plastic bussen met brandstof vertrouw
ik dan ook niet, de samenstelling van de brandstof kan
dan erg snel veranderen. Bewaar de brandstof op een
koele, donkere plaats, laat je blik ook als je buiten
aan het rijden bent, niet in de volle zon staan.
Verder is het zo dat het hoofdbestanddeel, de methanol,
relatief goedkoop is, het zijn juist de toevoegingen
(dopes) als Nitro, maar ook dopes, die roestvorming en
drooglopen van de motor net na de koude start moeten
voorkomen, dopes die zuurvorming bij stilstaande motor
voorkomen, plus nog wat andere speciale toevoegingen, en
de kwaliteit van de olie die voor de smering moet
zorgen, die de prijs van de brandstof bepalen.
Goedkopere brandstof is simpel te maken door dopes in
kleinere hoeveelheden te gebruiken (of weg te laten)
maar de kans op dure motor schade is daardoor wel
groter. In dit geval kan goedkoop duurkoop betekenen!
De Tornado brandstof die wij (en ook anderen) verkopen,
is verkrijgbaar in verschillende samenstellingen voor
diverse toepassingen. Degene die wij hebben is speciaal
voor gebruik in auto motoren, en geeft een goede
prestatie van de motor en een lange levensduur. Op de
eerste plaats is er de keus tussen 9% olie of 14% olie.
De meeste soorten brandstof hebben tot nu toe zo’n 9%
olie, omdat dat de meeste prestatie levert, en de motor
iets minder rookt. Dit is belangrijk voor wedstrijd
rijders, die het maximum uit hun motor willen halen,
ongeacht de levensduur van de motor. Voor recreatief
gebruik (99% van onze klanten) adviseren wij echter het
gebruikt van de OIL+ versie met 14% olie, omdat de motor
dan beter gesmeerd wordt, en de kans op schade aan de
motor vele malen minder is. Die laatste 2-3 km
topsnelheid zijn meestal minder belangrijk dan de
levensduur van de motor. Dan zit er ook nog NITRO
Methaan toegevoegd in de brandstof. Door (veel) Nitro
toe te voegen aan de brandstof, kan de prestatie van de
motor opgeschroefd worden, maar meestal ten koste van de
levensduur. Zo bestaat er brandstof met 30% nitro (en
meer), maar door de enorme power toename is dat een
grotere belasting voor de motor. Er is echter nog een
reden om nitro toe te voegen aan de brandstof: de motor
kan makkelijker afgesteld worden, is minder kritisch, en
blijft koeler. Daarom is het ook niet verstandig om
brandstof met te weinig Nitro te gebruiken. De
huidige auto motoren zijn allemaal gemaakt om te lopen
op brandstof met minimaal 16% Nitro toevoeging. Het
gebruik van brandstof met een lager nitro gehalte wordt
dan ook in auto’s sterk afgeraden. (In de vliegwereld
wordt wel minder nitro gebruikt, maar dat zijn andere
motoren en die in andere omstandigheden gebruikt
worden.) Je kunt altijd van een lager nitro
percentage naar een hoger percentage overstappen. Een
motor die echter op een hoog nitro percentage gelopen
heeft, zal over het algemeen niet lekker meer lopen als
je naar een lager percentage gaat.
|
| probleem |
oorzaak |
remedie |
| motor (krukas) wil niet draaien,
zit vast |
motor is verzopen, er zit teveel brandstof in
de motor |
gloeiplug eruit halen, motor vol gas zetten, een paar maal
aan de starter trekken, totdat er geen brandstofnevel meer uitkomt |
| motor schade, zuiger zit vast, drijfstang kapot |
motor demonteren en controleren wat er kapot is |
| motor start niet, starter gaat licht, maar neemt
wel de krukas mee |
geen compressie |
schade aan inwendige van motor, motor reviseren |
| motor start niet, starter gaat heel licht, neemt
de krukas ook mee |
startmechanisme werkt niet |
starmechanisme demonteren. (voorzichtig, laat hem niet uit
elkaar springen) Meestal is het naaldlager wat je in het midden
van de starter ziet zitten vervuild met vastgekoekte olie. Lager
goed schoonmaken met ontvetter, wasbenzine of wat brandstof.
Lager in de goede stand monteren, d.w.z. als je het lager de
draairichting van de motor op draait met de hand, moet hij de
krukas meenemen, als je de andere kant op draait loopt hij vrij.
Helpt dit niet, dan moet je het naaldlager vervangen |
| Alles is normaal, motor start niet
. |
gloeiplug uitdraaien en bekijken. Gloeiplug
is nat: |
sluit gloeiplug aan op de gloeiplugdriver. Als hij wel oplicht,
staat de sproeier te ver open. Licht hij niet op, sluit een
nieuwe plug aan en kijk of hij het doet, zo ja, deze monteren
en opnieuw starten. Zo nee, dan is de gloeiplug driver leeg
of kapot. |
| Gloeiplug is droog |
controleer of er brandstof in de slang naar de carburateur
zit, pomp e.v. wat meer brandstof naar de carburateur, draai
de sproeier wat verder open, Neem de brandstofslang lost van
de tank, en blaas erop met je mond. Kun je niet door de slang
blazen, dan |
| Motor start en loopt goed, maar slaat na een
paar minuten af, en start dan niet meer |
Motor wordt te heet |
Sproeier iets verder opendraaien, zodat de motor meer brandstof
krijgt. Helpt dit niet, dan zal waarschijnlijk de cilinder /
zuiger set versleten zijn. Deze hebben een conische passing,
d.w.z. de zuiger loopt bovenin vast als het goed is. als de
motor war |
| Motor start en loopt goed, zeker met de gloeiplugdriver
aangesloten, maar zodra deze eraf gehaald wordt, loopt hij niet
goed stationair, of slaat af zodra je gas geeft |
Gloeiplug te koud |
Monteer een warmere gloeiplug (met een lager nummer) standaard
hoort een 2 tot 3cc motor goed te lopen op een nr.3, een 3.5
- 5cc motor op een plug nr. 4. |
| Motor vreet pluggen, tenzij ik een hele koude
plug monteer, maar loopt dan niet goed stationair of neemt niet
op |
Motor wordt te heet |
Sproeier iets verder openzetten, meer of grotere uitsparingen
in de kap maken. Zorg er ook voor dat er achter de motor voldoende
grote uitsparingen in de kap zitten om de lucht kwijt te raken.
( zie ook Body spuiten) |
|
|